Begin pagina Waar ben ik?
Naar de inhoud

Waar ben ik?

Er zijn van die gebeurtenissen die je altijd bij zullen blijven. Eén daarvan deed zich een jaar of zes geleden voor. Ik had paardgereden en ging rond 19.00 uur naar huis. Co bracht me netjes naar de bushalte achter het station, een wandeling van ongeveer een kwartier. Daar moesten we bus 45 hebben. We letten goed op en Co leidde me steeds naar de bussen die bij de halte stopten. Op een gegeven moment, het was ook ruim de aankomsttijd van onze bus, stopte er weer een bus voor ons. De chauffeur noemde het nummer. Omdat ik hem niet verstond door al het lawaai van de bus en de geluiden buiten, vroeg ik nogmaals of het bus 45 was. Hij bevestigde dit en blij stapten we in. We hadden de “bussenjacht” weer overleefd, dacht ik.

In de bus belde ik mijn moeder om te vertellen dat ze het eten klaar kon maken. Ik zou binnen een kwartiertje thuis zijn. Na een tijdje, ik had het gesprek al lang beëindigd, merkte ik dat we over een hele hobbelige weg reden. Dat verbaasde me, omdat we die normaal met de 45 niet tegenkomen op het punt waar ik ongeveer verwachtte dat we waren, gezien de tijd dat we al in de bus zaten. Er bekroop me een angstig gevoel. Dat heb ik overigens vaak in de bus, als ik de weg even niet herken, maar vrijwel altijd blijkt het ongegrond en komen we netjes waar we zijn moeten. Ook nu kon dat toch niet anders, hield ik mezelf voor.

Ik had de chauffeur bij het instappen duidelijk horen bevestigen dat het bus 45 was. Ik hoopte dus maar dat het ruwe wegdek gewoon een stuk kapotte weg was, dat we normaal vermeden.

De bus bleef maar rijden, zonder dat ik iets kon herkennen. De halteafroep stond zo zacht dat ik deze niet kon verstaan. Op een gegeven moment stopten we bij een halte die ik dacht te herkennen. Het zou een halte zijn, drie haltes voor de plaats waar wij uit moesten stappen. De bus reed weer verder en ik wachtte af. Ik vond dat hij wel erg hard reed voor in een woonwijk en bovendien reed hij maar verder, zonder te stoppen. Er moest blijkbaar niemand uit, hoewel we naar mijn idee al voorbij het eindpunt waren. Toen de bus dan eindelijk stopte, liep ik met Co naar voren om te vragen waar we waren. Ik dacht en hoopte dat we bij het winkelcentrum stonden, iets voorbij de halte die we hadden moeten hebben.

De chauffeur noemde echter een halte die ik totaal niet kende. Geschrokken vroeg ik of dit dan niet bus 45 was. De chauffeur vertelde dat ik in bus 51 zat en dat hij dat bij het instappen ook duidelijk had gezegd. Kennelijk had hij mijn vraag of het bus 45 was toen dus niet verstaan, hoewel hij wel met ja had geantwoord. We stonden nu ergens in Sassenheim, een flink eindje van huis met het OV. Omdat de chauffeur ook wel begreep dat we zo geen kant op konden, bracht hij ons naar de halte aan de overkant, waar de bus terug naar Leiden zou moeten komen. Hij bood zijn verontschuldigingen aan en vertrok, nadat hij me op mijn verzoek gezegd had bij welke halte we beland waren.

Ik had geen idee hoe laat de bus naar Leiden zou komen. In de avonduren rijden de bussen veel minder. Bovendien zouden we dan ook weer op het station moeten overstappen, en misschien wel weer in een verkeerde bus belanden. Ik voelde daar weinig voor en overwoog de mogelijkheden.

Ik besloot eerst mijn moeder te bellen, om haar op de hoogte van ons avontuur te brengen. Vervolgens belde ik naar het huis van mijn broer, omdat dat nog het dichtst in de buurt van Sassenheim ligt. Gelukkig nam hij op en ik vroeg plompverloren of hij wist waar de Warmonderweg in Sassenheim lag. Verbaasd vroeg hij waarom ik dat wilde weten en ik legde hem de situatie uit. Hij stapte meteen in de auto en ging op zoek. Het probleem was alleen dat ik niet meer wist hoe de halte waar Co en ik stonden te wachten, heette. Ik wist dat er het woord Dam in voorkwam of het woord Warmond en maakte daar op een bepaald moment Rotterdamseweg van. Mijn broer vond in zijn navigatiesysteem een Rotterdamselaan in Sassenheim en ging daar dus naartoe. Dit bleek een doodlopende weg in een woonwijk te zijn, zo vertelde hij me aan de telefoon.

Ik hoorde allerlei verkeer voorbijrazen, maar voetgangers om aan te spreken, waren er niet. Bovendien is het ook wel vreemd om aan iemand te vragen in welke plaats en straat je staat. Ik vertelde dus dat we aan een drukke weg stonden en mijn broer probeerde met mij aan de telefoon allerlei Sassenheimse straatnamen waarin de woorden Rotterdam of Warmond voorkwamen in zijn navigatiesysteem te vinden, maar zonder succes. Ook bij bushaltes die hij passeerde, werd hij niet veel wijzer. Ondertussen keek hij overal goed uit naar Co en mij. Na een tijdje hoorde ik voetstappen naderen en ik besloot om hulp te vragen. De man die aan kwam lopen was graag bereid te helpen en vertelde na enige uitleg van mijn kant dat we in Sassenheim stonden, bij de Warmonderdam. Hoe mijn broer ook in zijn navigatie zocht, nergens in Sassenheim of Teylingen was een Warmonderdam te vinden. Kennelijk droeg alleen de halte die naam.

Gelukkig had hij wel een vermoeden over de plaats en hij reed verder. Ondertussen hield hij mij handsfree aan de telefoon. Hij vertelde me steeds wanneer hij een bushalte passeerde en keek dan goed uit of hij ons daar zag staan. Bij de derde halte was het raak en hij toeterde. We waren herenigd! Blij stapten Co en ik in. De halte bleek niet eens zo ver bij het huis van mijn broer vandaan te liggen. Ongeveer een uur later dan gebruikelijk, kwamen we thuis. We hadden het er dankzij mijn reddende broer zonder kleerscheuren vanaf gebracht.

Mail voor vragen of opmerkingen naar: emailcontact

Volg me op Facebook:

Facebook

Volg me op Twitter:

Naar boven